Dat is logisch bekeken vanuit verkoop: een klant kiest een uitvoering, het systeem berekent een prijs en daar komt een offerte uit. Maar bij technische producten stopt het werk daar natuurlijk niet. Iemand moet dat product daarna nog engineeren, voorbereiden en maken.
Daarom gebruik ik soms de term CPQM: Configure, Price, Quote, Manufacture.
Niet omdat ik daar een officiële nieuwe standaard van wil maken, maar omdat die extra letter voor mij duidelijk maakt dat de configuratie ook gevolgen heeft voor productie.
Een configuratie is pas echt waardevol als ze verder kan
Een configurator kan perfect weten welk product de klant wil.
Hij kent de afmetingen, opties, materialen en prijs. Maar als daarna een engineer alles opnieuw moet overnemen om tekeningen, zaaglijsten of CNC-data te maken, dan zit er nog altijd een breuk in het proces. Voor sommige producten is dat niet erg, en soms is menselijke engineering net nodig. Maar bij sterk herhaalbare producten wil je liefst dat de kennis uit de configuratie verder doorstroomt.
Dan wordt een ingegeven maat niet alleen gebruikt voor een prijs, maar ook voor geometrie. Dan wordt een materiaalkeuze niet alleen commercieel vastgelegd, maar ook meegenomen in stuklijsten, productie-output en controles.
Dat is het punt waar CPQ voor mij richting manufacturing schuift.
Zwembadafdekkingen maken dat verschil heel tastbaar
Bij Technics & Applications kwam dat mooi samen.
Zij maken gemotoriseerde zwembadafdekkingen met lamellen. Op het eerste zicht lijkt dat nog redelijk rechttoe rechtaan, zeker als je aan een rechthoekig zwembad denkt. Maar zodra een zwembad bogen of afrondingen heeft, verandert de lengte van de lamellen over de breedte van het bad. Daardoor krijg je niet één standaardmaat, maar een reeks onderdelen die elk op de juiste lengte en in de juiste volgorde geproduceerd moeten worden.
Dan zie je meteen dat configuratie veel meer is dan een verkoopstool.
De vorm van het zwembad beïnvloedt de geometrie, die geometrie bepaalt de lengte van de lamellen, en die informatie moet uiteindelijk bruikbaar naar productie doorstromen. Tegelijk moet ook het gemotoriseerde systeem juist gekozen en berekend worden. Dat is voor mij typisch CPQM: de productkennis blijft doorlopen tot in manufacturing.
De M gaat niet alleen over CNC
Manufacturing koppelen aan configuratie betekent voor mij trouwens niet dat elk systeem rechtstreeks G-code moet genereren.
Dat zou een te smalle interpretatie zijn. De echte vraag is eerder welke productie-informatie betrouwbaar uit het productmodel kan komen. Dat kan een zaaglijst zijn, een plaatuitslag, een boorpatroon, stuklijstinformatie, productietekeningen of een set parameters voor bestaande CAM-software. Soms gaat die informatie rechtstreeks naar een machine, soms eerst naar een ander systeem.
Voor mij valt dat allemaal onder dezelfde gedachte, zolang de configuratie de juiste manufacturing intent kan doorgeven.
Manufacturing moet vroeg genoeg meespelen
Een klassiek probleem is dat een configurator iets verkoopt wat commercieel geldig lijkt, maar in de praktijk lastig of zelfs onproduceerbaar blijkt.
Misschien is een plaat te lang voor de plooibank. Misschien bestaat een gekozen profiel alleen in vaste handelslengtes. Misschien kan een bepaalde materiaal-diktecombinatie niet op de aanwezige machine verwerkt worden. Als je die kennis pas na de configuratie bovenhaalt, kom je eigenlijk te laat.
Ik vind het veel interessanter om die productiebeperkingen mee te nemen op het moment dat ze echt invloed hebben op het product. Niet om de hele fabriek in een CPQ-model te stoppen, maar wel om te vermijden dat engineering en werkplaats telkens opnieuw dezelfde grenzen moeten corrigeren.
Van keuze naar productie-intentie
Daar zit voor mij ook het verschil tussen een eenvoudige optieconfigurator en een technisch productmodel.
Een optieconfigurator weet misschien dat de kleur zwart is, de breedte 1800 bedraagt en motor B gekozen is. Maar een productmodel moet verder kunnen uitleggen wat die keuzes betekenen. Welke componenten veranderen mee, welke bewerkingen worden nodig, welke hoeveelheden volgen eruit en welke output productie verwacht.
Hoe explicieter dat model is, hoe minder kennis verloren gaat tussen verkoop, engineering en werkplaats.
CPQM mag geen monsterplatform worden
Er zit wel een risico in.
Zodra je manufacturing toevoegt, is de verleiding groot om ook CAD, ERP, MES, CAM en machinebesturing in één totaalplatform te willen vangen. Dat lijkt me meestal geen goed idee. Ik zie CPQM niet als een argument om alles in één systeem te duwen, maar eerder als een manier om scherper te kijken naar de grens tussen configuratie en productie.
De kernvraag is voor mij:
hoe ver moet het productmodel gaan zodat configuratie zonder verlies van kennis kan doorstromen naar engineering en productie?
Soms is het antwoord een DXF. Soms een zaaglijst. Soms een volledig gegenereerde productieset. Dat hangt af van het product en van de werkplaats.
Waarom ik die term toch gebruik
Ik gebruik CPQM vooral omdat het mij dwingt om één stap verder te denken dan offerte en prijs.
Bij technische producten is een configuratie niet klaar wanneer iemand op “bestellen” drukt. De echte waarde ontstaat pas wanneer diezelfde productkennis verder bruikbaar blijft — van keuze naar geometrie, van geometrie naar engineering, en van engineering naar productie.
Zonder telkens opnieuw hetzelfde product te moeten interpreteren.
Dat is voor mij wat CPQM probeert te vatten.